Symphony of Sorrowful Songs
15 april, 2025t/m 24 april, 2025
Op 14, 15 en 16 maart 2025 presenteert Conrad van Alphen Sinfonia Rotterdam in de Doelen, de Kloosterkerk en het Wereldmuseum. Te gast is trompettist Lucienne Renaudin Vary.
De uitgebreide toelichting op de composities, geschreven door Han van Tulder, leest u hieronder.
Gioachino Rossini (1792-1868)
Sonate nr.1 <1804>
I. Moderato
II. Andante
III. Allegro
Efraín Oscher (1974 -)
Rapsodia Latina <2018>
I. Guajira
II. Bolero
III. Choro
Felix Mendelssohn (1809-1847)
Symfonie nr.4, op.90 <1833>
I. Allegro vivace
II. Andante con moto
III. Con moto moderato
IV. Saltarello: Presto
Gioachino Rossini (1792-1868) – Sonata a quattro nr. 1 in G en nr. 3 in C
I. Moderato, II. Andantino, III. Allegro
In 1804 componeerde de twaalfjarige Rossini in slechts drie dagen tijd zes hoogst originele kwartetten voor de merkwaardige bezetting van twee violen, cello en contrabas. Hij verbleef in die dagen in Ravenna. De gastheer, Agostino Triossi, landgoedeigenaar en mecenas van Rossini, speelde contrabas, zijn neven viool en cello en Rossini de tweede viool. De eerste uitvoering door dit muzikale samenraapsel beschreef de componist weinig vleiend als ‘cagnescamente’ (hondachtig). “Mijn God, en dan te bedenken dat ikzelf nog de minst hondachtige was!”
Lang is gedacht dat de zes sonates waren vernietigd, totdat de bundel kort na de Tweede Wereldoorlog in de Library of Congress in Washington werd gevonden. Hoe de sonates daar zijn terechtgekomen vertelt het verhaal niet. Wel werd duidelijk dat de allang bekende strijk- en blaaskwartetten van Rossini bewerkingen waren van deze verloren gewaande zes jeugdige Rossiniani.
Het zijn buitengewoon diverterende stukken. Luister naar de eerste sonate in G. De levenslust spettert er gelijk in het openingsdeel, Moderato, vanaf. De contrabas sluit de expositie van de beide thema’s af. Er volgt een korte episode in mineur. Aan de inzet van de violen herkent de toehoorder dadelijk de reprise van deze verrukkelijke muzikale spielerei. Heel relaxed sluit het Andantino aan, wederom met een quasi zeurpieterige (bij)rol voor de contrabas.
De spirit van de finale, Allegro, is als een schuimende Spumante. Met een muzikale knipoog van contrabas en cello!
Efraín Oscher (geb. 1974) – Rapsodia latina voor trompet en kamerorkest
Hoewel Efraín Oscher geboren werd in Montevideo (Uruguay) groeide hij op in Venezuela. Daar begon hij zijn muzikale carrière als fluitist bij het Venezolaanse jeugdorkest ‘Sistema’. Daarnaast studeerde hij muziek aan het conservatorium Carabobo in Valencia (Venezuela). Hij speelde als eerste fluitist in diverse lokale orkesten aldaar. Tot zover zijn Zuid-Amerikaanse komaf. Vanaf 2000 vestigt hij zich in Europa. Aan de ‘Royal Academy of Music’ studeert hij twee jaar bij William Bennett compositieleer. De RAM bekroont hem met de ‘Benjamin Dale Award’. Als fluitist treedt hij op bij het ‘Bath International Festival’ en neemt deel aan de ‘Engelse Jeugd Kamerorkest series’. Nadien verhuist hij naar Duitsland, waar hij naast optredens bij verschillende orkesten een loopbaan als componist ontplooit. Zijn werken worden alom in Europa uitgevoerd. Efraín Oscher is dan geen onbekende grootheid meer. Hij is een politiek geëngageerde musicus die zich in zijn muziek afzet tegen dictatoriale regeringen en opkomt voor het behoud van de natuur. Naast zijn Latijns-Amerikaanse roots, put hij inspiratie uit componisten als Bach, Debussy, Ravel en Poulenc. Hij maakt gebruik van poliritmiek en polimetrische structuren.
Zelf zegt hij over zijn composities: “Ik probeer in mijn muziek altijd een verhaal te vertellen met emoties, die de luisteraars beroeren”.
De driedelige Raspsodia latina voor trompet en kamerorkest componeerde Efraín Oscher in 2018/2019 voor de Braziliaanse trompetvirtuoos Fabio Brum. De delen gaan zonder onderbreking in elkaar over. Toch laat de partituur de solist voldoende tijd om tussen de delen van instrument te veranderen. In het energieke eerste deel speelt de solist op een (gewone) trompet, gestemd in B. Het ritme doet denken aan de Cubaanse ‘Guajira’ (bekend geworden door het lied ‘Guantanamera’). Na een korte cadens schakelt het orkest over op een dromerige ‘Bolero’. De solist wisselt de trompet in voor de romantischer geaarde tenorstem van de Flügelhorn, Het timbre van dit broertje van de trompet past voortreffelijk bij het zwoele karakter van het middendeel. Het slotdeel is geënt op de Braziliaanse ‘Choro’. De Flügelhorn wordt ingeruild door een ‘piccolo trompet’. Nu swingt de muziek de pan uit en etaleert de solist zijn virtuositeit met tonen zo hoog reiken als die van de hobo. Echt muziek in ‘happy style’.
Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809 – 1847) – Symfonie nr. 4 in A, Op. 90 ‘Italiaanse’
I. Allegro vivace, II. Andante con moto. III. Con moto moderato, IV. Saltarello: Presto
Anders dan Ludwig van Beethoven was Felix Mendelssohn-Bartholdy een Pietje precies. Hij schaafde aan al zijn werken voordat hij ermee naar buiten trad. Zo ook met (de schetsen van) de vierde symfonie in A, die in de winter van 1830/1831 tijdens zijn reis door Italië ontstond(en) en die hij later zelf de bijnaam ‘Die Italienische’ gaf. Pas in 1832 voltooide hij het manuscript ten behoeve van een concert, georganiseerd door de ‘London Philharmonic Society’. Het succes was – terecht – overweldigend. Zelden zal een nieuw symfonisch werk ‘op eerste gehoor’ zo stormachtig door het publiek zijn ontvangen. Welke hedendaagse componist valt ooit zulk een spontaan enthousiasme ten deel?
Het zorgeloze, het opgewekte optimisme dat een mens bevangt wanneer hij of zij vanuit de kou in een zonnig klimaat terechtkomt, is in deze symfonie hoorbaar, voelbaar, je zou haast kunnen zeggen tastbaar. Het juichende eerste thema van het Allegro vivace straalt een en al blijdschap uit. Héérlijk, die zalige warmte. Het neventhema klinkt elegisch en biedt in zijn zacht klagende sentimentaliteit het ideale contrast tot de prikkelende uitbundigheid van het hoofdthema. In het tweede deel slaat Mendelssohn een heel andere toon aan. De traag voortschrijdende melodie verhaalt wellicht van het uitputtende werk op de graanvelden in de Povlakte. Onder de brandende zon ploegen de ossen gestaag voort. De boer zingt een weemoedige ballade. De relativerende tegenmelodie van het jonge grietje dat met het span meehuppelt is minder somber. Het pastorale Con moderato is een en al optimisme. Ligt het stel na gedane arbeid in de schaduw van cipressen ontspannen te genieten van de verfrissende koelte van de avond? Maken ze plannen voor de toekomst? Wie zal het zeggen. Het zijn slechts fantasieën die deze pittoreske muziek bij mij oproepen. Het laatste deel, Saltarello, Presto, is een wervelende Napolitaanse springdans waarbij dezelfde toon – als klepperende castagnetten – in hoog tempo wordt herhaald. Uitgelaten, opzwepende muziek!!